In het archief van onze bibliotheek hebben wij een kopij van de lezing over poëzie door Geert Koefoed. Deze lezing, gehouden op 14 october 2005 zullen wij in delen presenteren.
Geert Koefoed verzorgt elk jaar voor het Instituut voor de Opleiding van Leraren een cursus taalfilosofie. De Schrijversgroep 77 was de organisator van deze lezing.
HET GEHEIM VAN DE DICHTER - deel 1
Om misverstand te voorkomen: dit wordt geen lezing over Surinaamse poëzie, maar een lezing over poëzie, geïllustreerd met Surinaamse gedichten.
Ik begin met iets dat mij een paar jaar geleden is overkomen. Ik was met vrienden in een vakantieboerderijtje, in een mooie streek van Nederland: bossen met open plekken – weilanden, akkers. Het was zondagmiddag, de vrienden waren uit, ik was alleen en buiten. Het was onstuimig weer. Een stevige wind joeg dikke, grijsgroene wolkenpartijen van west naar oost. Meestentijds bedekten zij de zon, maar af en toe kwam de zon vrij; het licht stroomde dan over het grasveld en de mais-akker. Ik zat er met een schrift en probeerde op te schrijven wat ik zag en hoorde. Toen begon het uit zo'n samengepakte wolk te regenen. En een van de eerste druppels viel op mijn schrift, precies waar mijn pen over het papier schoof. De inkt vloeide uit. Eén moment van ergernis. Maar al gauw zag ik het komische van de situatie in; ik zei tegen mezelf:
“Wat was je eigenlijk aan het doen? Je kijkt en luistert, ziet en hoort heel veel tegelijk, het landschap als geheel en allerlei kleine dingen, je hoort wel vijf soorten geruis en hoe ze samenklinken. En alles is in beweging: elk sprietje, elk blad, elke stengel, de toppen van de bomen; de lucht is geen seconde lang hetzelfde. En al dat beweeg wil je in woorden vastleggen ? Die regendruppel heeft de woorden die je net geschreven hebt, onleesbaar gemaakt, het zijn geen woorden meer, het is een aquarel geworden. Maar is dat niet een betere weergave van wat je allemaal ziet, hoort en ervaart dan al die in het gelid staande woorden?”
Zo werd ik die middag geconfronteerd met het probleem van de dichter. Of – misschien beter – de uitdaging van de dichter, zijn sport, zijn passie: in taal uitdrukken wat in taal niet uitgedrukt kan worden, “de ruimte van het volledig leven” (Lucebert).
Gedichten zijn van taal gemaakt. Dezelfde taal waarmee we ons dagelijks leven regelen, de maatschappij organiseren, waarin we onze kennis van de wereld coderen en doorgeven. Taal lijkt gemaakt voor het verstand, een uitvinding van de Rede, een medium voor het denken en voor het analyseren van situaties in objecten, hun eigenschappen en hun onderlinge relaties.
Natuurlijk gebruiken we taal ook voor het uitdrukken van gevoel: om te zeggen dat je iemand lief vindt, om te troosten, voor gezelligheid – lekker samen kletsen over niets. Maar juist bij dat soort taalactiviteiten zijn de bijkomende expressie-middelen van groot belang, om niet te zeggen onmisbaar: stem, intonatie, gezichtsuitdrukkingen, houding, gebaren. Als je die zogenaamde ‘paralinguistische' middelen wegdenkt, is de taal zelf, de woorden plus de combinatieregels (de grammatica), een merkwaardig ‘smal', eendimensionaal medium: woorden in een lijn gerangschikt, het ene na het andere en je bent niet eens helemaal vrij in de volgorde want daarvoor gelden grammaticaregels. Hoe kun je de rijkdom aan indrukken, gedachten en gevoelens die ieder mens inwendig beleeft, daarin uitdrukken?
Alles wat je tegelijk ziet als je naar een landschap kijkt, bijvoorbeeld, moet je ná elkaar vertellen. Dat kun je heel zorgvuldig doen. Maar de gelijktijdigheid gaat verloren en die was nu juist wezenlijk voor de ervaring dat je niet alleen – als waarnemer – naar het landschap kijkt, maar dat je je erin opgenomen voelt, dat je er deel van uitmaakt. Je moet er maar op hopen dat die gelijktijdigheid, die ‘geheel-ervaring' van het landschap, op de een of andere wijze uit je beschrijving gereconstrueerd kan worden.
De beperktheid van een medium voor expressie is aan de andere kant juist inspirerend. Zo kan een beeldend kunstenaar ervoor kiezen te gaan etsen. Daarmee kiest zij voor stringente beperkingen: alles wat zij wil uitdrukken moet ‘vertaald' worden in krassen in metaal. Maar juist daardoor creëert zij voor zichzelf de kans, of beter de noodzaak de expressiemogelijkheden van deze vorm tot het uiterste te onderzoeken en te benutten.
En dat is wat de dichter doet met taal: de grenzen van nu juist dit medium onderzoeken, aftasten, misschien een klein eindje verleggen. De taal die van huis uit meer digitaal is: weergave van kennis, voertuig voor informatie-overdracht, wat meer analoog te maken: beeldend, gevoelig, spiritueel. En dat – in eerste instantie – zonder gebruik te maken van de bijkomende middelen als stem en intonatie.
Geert Koefoed