In het archief van onze bibliotheek hebben wij een kopij van de lezing over poëzie door Geert Koefoed. Deze lezing, gehouden op 14 october 2005 zullen wij in delen presenteren. Geert Koefoed verzorgt elk jaar voor het Instituut voor de Opleiding van Leraren een cursus taalfilosofie. De Schrijversgroep 77 was de organisator van deze lezing.
HET GEHEIM VAN DE DICHTER - deel 2
Er zijn dichters die de grenzen van taal zó knellend vinden dat zij die op opvallende wijze doorbreken: zij zetten grammatica-regels opzij en maken hun eigen woorden. Zij creëren een soort particuliere taal. Dit kan tot prachtige poëzie leiden – aangrijpend, teder, grappig. Toch heeft deze werkwijze iets oneigenlijks, iets eenmaligs: je kunt het niet blijven doen. Taal is niet particulier, maar gemeenschappelijk; niet iets van individuen, maar van een gemeenschap. Alle woorden die je kent, hebben hun oorsprong in de ontmoeting met anderen; de taal die je in hebt en waarin je je wilt uitdrukken, is de taal van de communicatie met anderen.
Dichters houden van die taal (of talen) en gaan er respectvol mee om: ze zullen zich er liever niet buiten plaatsen. Ook niet, of juist niet wanneer ze voelen dat de taal tekortschiet. Dan willen ze de taal wèl verrijken, vernieuwen.
Het zijn niet alleen dichters die soms voelen dat de taal hen in de steek laat. Het is een zo algemene ervaring dat de taal zelf er vaste uitdrukkingen voor heeft: “onuitsprekelijk”, “daar zijn geen woorden voor”, “woorden schieten tekort”. Wat zijn de typerende situaties waarin mensen dit soort verzuchtingen uiten? Intense belevingen, bijzondere gevoelens, subtiele gewaarwordingen, spirituele momenten – ervaringen waarvan mensen het gevoel hebben dat ze nieuw en uniek zijn.
Taal generaliseert. Eigennamen noemen unieke personen, en in concrete situaties zijn ik en jij ook aanduidingen van individuen. Maar de zogenaamde inhoudswoorden (zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden) hebben betrekking op categorieën, niet op unieke verschijnselen. Taal herleidt het unieke tot het algemene, dat is precies wat taal tot voertuig van onze kennis maakt. Maar wat ik voel, is uniek, het is “de aller-individueelste emotie”. Het is nieuw – en alle woorden noemen dingen die al bekend zijn. Bovendien, een woord als blij is alleen maar een willekeurige naam voor het gevoel, een etiket dat erop geplakt is; het woord zelf zegt niets over het gevoel, het laat er niets van zien.
“Woorden schieten tekort”, d.w.z. alle bestaande wijzen van zeggen zouden geen recht doen aan het gevoel dat ik wil uitdrukken. Dat kan alleen door een nieuwe manier van zeggen. De taal nieuw maken, dat is de opgave van de dichter: de dingen zó zeggen als ze niet eerder gezegd zijn – waardoor ook de dingen zelf in een nieuw licht komen te staan.
Een van de ‘trucs' om taal te vernieuwen is beeldspraak, metaforiek. Beeldspraak is het eerste waaraan men denkt, als het erom gaat taal beeldend te maken – het woord zegt het al. Het vermogen om woorden in een nieuwe, metaforische betekenis te gebruiken is niet voorbehouden aan dichters, het is van ons allemaal. Het is verwant, of misschien wel identiek met het vermogen van kinderen om gelijkenissen te zien waar volwassenen, met hun verkokerde blik, geen oog meer voor hebben: “Kijk, mamma, een haan!” zegt een driejarige, wijzend op een pinda (een ongepelde).
Het vermogen tot figuurlijk taalgebruik ligt ten grondslag aan de opbouw van de woordenschat en het repertoire aan uitdrukkingen en spreekwoorden van elke taalgemeenschap. Maar zodra een metafoor deel uitmaakt van het conventionele repertoire, is zij even oud, nietszeggend en on-beeldend als alle andere woorden en behoort zij in poëtisch opzicht tot het ‘dode' deel van de taal. De oorspronkelijke, letterlijke betekenis speelt er dan ook nauwelijks meer een rol in.
Het geheim van nieuwe, creatieve beeldspraak is dat de letterlijke betekenis er nog mee verbonden is, het is zelfs de eerste betekenis die opgeroepen wordt. Er is immers nog geen conventie die er een andere, metaforische betekenis aan koppelt. De letterlijke betekenis is meestal heel concreet, verbonden met de zintuigen. Dat roept lijfelijke herinneringen wakker in de lezer, die vervolgens zelf creatief moet worden om de overeenkomst (zoals die tussen een pinda en een haan) zélf te zien. Alleen zo kan een metafoor een ‘onthulling' zijn, een onverwachte kijk op de werkelijkheid geven en een verrijking zijn van de ervaring van de lezer.
Jit Narain
lag mijn liefde op je hart als sneeuw op de takken,
blijf toch stil, laat haar liggen.
wit was ze getrokken, de kou.
geen wind mag je raken, geen hete adem geen tocht.
zo wankel lig ik op jou tot last.
smolt ik en stroomde zij door je hart tot de uiteinden,
voor de rillingen wil ik me verontschuldigen.
of liet jij de takken schommelen?
verwaaid werd ik tot meer verdriet.
(uit: Waar ben je daar , 1987)
GEERT KOEFOED