Lijsten
Recensies
|
‘BINGO!' : de golfbaan der armen
Bingo!: voor de spelers van het spel is het een magische kreet. Wanneer het laatste ontbrekende cijfer op een van de kaartjes klinkt door de speelzaal, schreeuwt de gelukkige winnaar het uit van blijdschap en opwinding: ‘Bingo!'. Het volle kaartje levert immers een aardig bedrag op en al helemaal als jackpot troef is! Bingo is tegenwoordig populair onder Surinamers hier en in Nederland. Over de laatste categorie, en dan voornamelijk vrouwen, gaat de derde roman van Clark Accord, ‘BINGO!' , die onlangs verscheen.
‘De golfbaan der armen', zo typeert een der personages bingo. Een prachtig beeld: het refereert aan verbondenheid met het spel, maar ook aan golven, op en neer, in dit geval van het geluk. In de roman wordt het spel fanatiek gespeeld door een groep van voornamelijk Surinaamse vrouwen uit Rotterdam. Door het gemeentebestuur is hun speelhal echter gesloten. Daarom wijken ze, als het effe kan dagelijks, uit naar Amsterdam, waar op de Oude Zijds Voorburgwal, midden in de hoerenbuurt, een speelhal met de Caraïbisch klinkende naam ‘Suikertuin' is. Daar spelen ze met zoveel mogelijk kaarten als Bruin die dag kan trekken. In de twijfelachtige hoop veel geld te winnen en daardoor knellende financiële problemen op te kunnen lossen. Een facet van ‘overleven' dus, een van de belangrijkste grote thema's uit de Surinaamse literatuur, te beginnen met meesterspeler Anansi.
Clark Accord lijkt deze thematiek op het lijf geschreven. Naast auteur is hij visagist, hij maakt vrouwen en mannen op voor voorstellingen en shows, hij kijkt naar gezichten, naar mensen en in dit geval ook nog naar ‘z'n eigen mensen' en hij peilt dieper, ook in hun ‘yeye'. Clark is een uitstekende observator: levensecht verbeeldt hij de bingospelende vrouwen en een enkele man. Het reilen en zeilen van deze mensen, hun gesprekken, hun verslavingsproblematiek, hun relaties, dat zijn de aspecten die de inhoud van ‘BINGO!' vormen. Daardoorheen loopt de verhaallijn over een moeder en een dochter, de 49-jarige, nog goed uitziende Leanda en haar dochter Naomi. Hun probleem is dat tijdens de zwangerschap en na de geboorte van haar dochter Aisa, Naomi weigert de naam van de vader aan haar moeder prijs te geven. Een geheim, een plot, dat ontrafeld moet worden, en dat gebeurt dan ook in de roman. Ik ga de ontknoping niet onthullen, maar je voelt als lezer al gauw op je klompen aan waar de schoen wringt: dat de vader van Aisa geen vreemde is voor oma Leanda. De twee hoofdpersonen, moeder én dochter, zijn levensecht neergezet door Accord. Belangrijk hierin is de uiterst dubbelzinnige houding van Leanda met betrekking tot haar vroegere minnaar die weer op de proppen komt en de toch liefdevolle opstelling van Naomi, ondanks haar machteloosheid ten opzichte van de onverantwoordelijke financiële daden van haar moeder. Zelf hinkt ze echter ook op twee benen, wat kenmerkend is voor gokverslaafden:
‘Als het geluk vanavond aan haar zijde is, dan is dit haar laatste keer, heeft ze zichzelf beloofd. Diep van binnen beleeft ze geen plezier aan deze avonden. Ze doet het voor haar dochtertje, in de hoop op die manier het beetje geld dat ze krijgt te vermenigvuldigen. Vaak genoeg heeft ze God om hulp gevraagd, om haar te helpen de cirkel te doorbreken waarin zij en haar moeder gevangen zitten' (p. 47). Dat God zich daar niet mee bemoeit en Naomi zal blijven bingospelen, ligt in de verwachting: ze houdt zichzelf voor de gek. Het taalgebruik van deze hoofdpersonen en de andere vrouwen is, vooral door de vele dialogen, vaak authentiek en dat geeft een eigen charme aan de roman. Atie is een gezette Rotterdamse Hollandse en een bingovriendin van Leanda. Zij is de enige die echt met haar en Naomi meeleeft en op haar eigen manier adviezen geeft.
‘Je zoekt ruzie, no', zegt Atie gemaakt boos. Haar Rotterdamse tongval heeft een verrassend Surinaamse swing. Haar gezicht breekt open in een lach. ‘Als je niet uitkijkt, schuif ik je zo van de bank met die bakadyari van mij. Jij en die goedkope neptas van je.' Ze schudt van het lachen en haar achterwerk volgt vrolijk haar beweging. Ze verplaatst haar blik in de richting van Naomi. ‘Sjo gesjellig met mams op pad, meissie?' (p. 31). Georgette is in de ogen van de Surinaamse vrouwen niet helemaal in orde. Wie blijft er zomaar in de regen staan bij de bushalte? Wie laat haar haren natregenen? Maar ze is wel degene die Leanda, weliswaar tegen hoge rente, geld kan lenen om haar torenhoge huurschuld, waarvan de papieren in haar tas branden, te betalen. Hoewel Leanda niet de jackpot wint, heeft ze dus, in haar eigen ogen, toch geluk.
De meest komische figuur is een vrouw die zich regelmatig prostitueert om het busreisje en wat daarmee samenhangt mee te kunnen maken. Zij heeft de toepasselijke bijnaam ‘Busje'. Haar haarstuk blijft hangen tussen de deuren van de bus als ze haastig instapt en ze doet net of ze het niet merkt. Het gedoe om dat haarstuk veroorzaakt tijdens de rit veel hilariteit.
Toch betrapte ik me erop dat ik minder aandachtig ging lezen naarmate de roman vorderde. Op een gegeven moment weet je het wel. In verhouding tot de toch wel zwakke plot zijn al die sfeerbeschrijvingen en dialogen te veel van het goede. Het had best wat minder gekund. Een novelle bijvoorbeeld in plaats van een roman van 225 pagina's. Kijk naar een meesterstuk van ons grote voorbeeld Gabriel García Márquez, ‘Kroniek van een aangekondigde dood'. In 105 pagina's vertelt hij het verhaal over Santiago Nasar. Door twee broers wordt hij ervan verdacht hun zus ontmaagd te hebben, waardoor ze schande veroorzaakt tijdens haar huwelijksnacht en ze bazuinen overal rond dat ze hem gaan vermoorden. Niemand in het stadje gelooft dat die broers dat plan daadwerkelijk zullen uitvoeren, waardoor niemand er een stokje voor steekt en de jongen inderdaad vermoord wordt. Ook een kleine plot, waarvan de lezer de afloop al in de eerste regel aantreft en verder een hoop mofo koranti in het dorp. Voor ‘Honderd jaar eenzaamheid', een uitgebreide familieroman over de talrijke generaties van het geslacht Buendía met talloze zijlijnen, gebruikt de meester wel 428 pagina's. De lengte van een roman hangt dus wel degelijk samen met complexiteit van de intrige. In ‘BINGO!' is die intrige uitermate eenvoudig, verweven met een busreis heen en terug, bingospel tot de ontknoping van de jackpotwinnares en de eigenaardigheden van de reis- en spelgenoten. Allemaal hier en nu, zonder ingewikkelde zijlijnen.
Ook de slotalinea van ‘BINGO!' stelt me teleur. Leanda pakt na de ontknoping van het geheim in de bus terug de hand van haar dochter en legt die op de magnetron op haar schoot, die ze wel gewonnen heeft. ‘Woorden schieten tekort om de puinzooi die ze van haar leven en dat van haar dochter heeft gemaakt uit te drukken. Voor Aisa moeten ze een uitweg vinden uit deze ellende.' Dat is wel heel vrijblijvend als slot en vooral de laatste zin: ‘Ronkend zoekt de bus zijn weg in het donker. Buiten is het opgehouden met regenen.' Gelukkig voor Georgette, denk ik dan, maar dat is bijzaak!
Ondanks deze kritische opmerkingen vind ik dat Clark Accord groeit als schrijver. Zijn stijl wordt meer eigen en ‘to the point' en onderwerpen die dicht bij hem staan liggen hem goed. Zijn stap naar een andere uitgever, Nijgh & Van Ditmar, in plaats van Vassallucci, is een goede geweest. Het boek is uitstekend verzorgd, foutloos, prettig van letter en mooi van omslag. Niet dat gewild exotische dat Vassallucci nogal eens aankleeft.
ELS MOOR
Clark Accord: ‘BINGO!'. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2007. ISBN 978 90 388 0024 0
[Uit: ‘dWTL' van 3-3-2007, nr. 951]
‘
Terug naar Recencies
|
|