Guillaume Pool


Gelukkig zijn met mijn eigen talen

Door mijn innige omgang met boeken, is het verlangen ontstaan om terug te gaan naar mijn eerste ervaringen met het leren van taal. Mijn kennismaking met het fenomeen deed ik op aan de Cultuurtuinlaan in Paramaribo. Wo Dinoh en Wo Sarno, een bejaard echtpaar had zich over mij ontfermd en omdat ze het Djawa spraken, kende ik niet anders. Ik schakelde over op het Sranan toen mijn oma Doodo in beeld kwam. Mijn liefste tante Netje, die nu een van de vele tuinen van Onze Lieve Heer verzorgt, kon het niet aanzien, dat ik als grote jongen nog niet kon lezen. Ze tikte ergens een gedichtenbundel met een rode omslag, op de kop en sloeg pagina veertien op. Door haar netjes na te zeggen, was mijn eerste leesles begonnen. Toen ik eindelijk kon worden ingeschreven als leerling van een gewone school, kwam ik terecht bij juffrouw Dalaisingh die mij confronteerde met het leesplankje en de boekjes van Ot en Sien, later Pim en Mien. Ik verslond de boeken en ik kende het gedicht op pagina veertien, uit het hoofd. Ik weet nog steeds niet of ik wist wat ik las. Dat waren in elk geval mijn sprookjesboeken.
Later zou ik bij de meesters A.F.May en de Randamie en bij de houthakker Polanen, overschakelen op de schoolleesboeken die ze ook in Batavia en in Amsterdam gebruikten. Ik was dol op de series “Gouden Regen” en “Het ruisende woud”. Het geluk is nu met me, want uit al die dozen met oude boeken die ik de laatste tijd aangeboden krijg, voor Suriname, trof ik een aantal exemplaren uit beide series. Nostalgie en nieuwsgierigheid beheersen nu mijn leesbestaan.
Ik herinner mij een verdrietig voorval op een vrijdagmiddag. We verheugden ons op zang, want het was een feest om al de oude liederen uit de bundel “Kun je zingen, zing dan mee”, te kunnen dreunen en schreeuwend te verklanken. Het verlangen naar zang maakte de leesles, die daarop zou volgen, mild. We gilden de titels van de verhalen van onze voorkeur door elkaar. Ik had ook een voorkeur: Het vrouwtje van Stavoren. Ik had nooit geweten, dat de Friese uitspraak de standaard was, dus werd ik gegalgd door de meester en medeleerlingen. De o in het woord Stavoren moest als e worden gelezen. Ik werd veroordeeld tot de ‘dommen-rij’ en kon verder niet goed doen. Het vrouwtje van Stavoren bleef mij achtervolgen en heeft mij bijna een leestrauma bezorgd.
Ik heb nooit kunnen weten, dat ik het boek ooit terug zou vinden en bovendien zo dichtbij de stad Stavoren zou wonen en ooit oog in oog met het vrouwtje zou staan. Na die boeken heb ik nog vele koloniale leesvoer gehad op de Paulusschool, later ook op de AMS.. Alle boeken die ik gelezen heb vormen de basis voor mijn taalgebouw. Ik leerde moeizaam het Nederlands en Frans, kwam heel goed door het Engels en had als beste taal het Duits. Op de AMS deed ik een Spaans schepje boven op, aangeboden door Señora Henriette Zeiler. Ik ben benieuwd of ik herkenbaar ben als product van het Kolonialisme. Welke taal is mijn taal?
Ik ben echt dankbaar, dat mijn weg van taalloosheid naar multilinguaal, zo vlot verlopen is, zonder koloniaal trauma en los van nationalistisch vandalisme.

Guillaume Pool


Terug naar vorige colums (of andere tekst)

 

 
TALENT IS TE VORMEN!! Copyright ©, 2006 www.bukutori.org