Van straattaal naar normtaal

Ik ben blij met de straten van de probleemwijken van Amsterdam. Ik weet dat ik, van Balkeneinde 3, niet meer mag praten van probleemwijken, maar die term is mijn enige taalhouvast, wanneer ik wil praten over de vernieuwing of in standhouding van het Sranan.
Vlaagsgewijs duikt de taaldiscussie als een soort epidemie boven de ondergelopen straten van Paramaribo. Daar wordt geen taal gemaakt enkel besproken, dus blijf ik vasthouden aan Amsterdam. De taalkundigen jagen zonder argumenten de taaltemperatuur op en ontdekken plotseling dat Curaçao het Papiamento verheven heeft tot instructietaal. Nationalisten en Chauvinisten strijden om het hoogste woord in het Nederlands. Suriname als onafhankelijke Republiek, mag niet achterblijven, dus gaan de haren van trots tegelijk omhoog. Het Nederlands wordt op de brandstapel gegooid en de andere koloniale taal, het Engels, krijgt een Judas-omhelzing. Vooral het Engels van de Caribische getto’s wordt in liedjes en gedichten opgevoerd als waarlijk pronkstukken. ‘Daar moeten we naar toe’, hoor ik velen bijvallen.
Geen enkele inspanning wordt geschuwd om zoveel mogelijk Engelse woorden en termen te gooien in teksten en gesprekken.
Kort geleden kwam ik een serie reclameborden tegen van een bekend eethuis. Un Patu nodigde iedereen uit om te komen genieten van die fatoe. De eigenaren van het eethuis geven de schuld, van deze inconsequente schrijfwijze, aan het reclamebureau en die beroept zich op het feit dat ze het recht hebben om ook hun eigen schrijfwijze te volgen. ‘Het Sranan is een vrije taal, en elke Surinamer heeft het recht op een stuk van de vrije taalkoek. Neks no fowt, we doen het op onze eigen manier,’
Deze taaltrots is zoiets als het Borgoe-gevoel of een Parbo-buikje, gemaakt ter bevordering van het plengen, maar consumptie is niet uitgesloten.
Intussen, neem ik dat ding heel serieus en vraag ik me af hoe we het Sranan tot officiële instructietaal moeten verheffen. Ik stel vast dat de Sranantongoscholen een slapend of sluimerend bestaan lijden, moe geworden van steeds moeten uitleggen, hoe die taal in elkaar steekt. Er bestaat wel een goedgekeurde grammatica van 1986, die door de politiek, in een oude schoenendoos is verstopt.
Ik heb op mijn manier de trots even op de proefgesteld door Sranan te spreken met alle mensen die ik tegenkwam. Ze reageerden, een enkele uitzondering daargelaten, steeds in het Nederlands verwijten uithaalden. Ik zou te ‘diep’ spreken. Mijn gedichten bijvoorbeeld moet ik steevast, ook in onze kringen, ‘vertalen’.
Politieke figuren geven het slechtste voorbeeld. Maar er is hoop, toenemende hoop, in de persoon van de ‘nieuwe Chinees’. De poort naar hun nieuwe winkel wordt gevormd door de kennis van het Sranan. De Chinezen leren als eerste het Sranan, die ze nu beter spreken dan menig kind van het land.
De allerbeste leveranciers van het Sranan, zijn de jonge Amsterdammers, allochtoon en autochtoon. Surinamers, witte hangjongeren, Turken, Marokkanen en niet te vergeten een handvol Antillianen vormen de hofleveranciers voor het Sranan. Ze verheffen zonder betaling, de straattaal tot standaardtaal.
Een taalgeleerde in Suriname beweerde dat het kenmerk van een levende taal de vernieuwing zou zijn. Gebruikers, maken een taal. Die taal wemelt soms van fouten, die herhaald worden en dus tot norm worden verheven. SMS-cultuur doet ook iets met het Sranan. De norm wordt bepaald door afwijkingen, fouten en ongewilde afwijkingen. De taalverkwanseling wordt op deze manier de norm.
Het Sranan is zo zoetjesaan de straattaal van Amsterdam en dat wat de nieuwe Chinezen ervan maken. Laten we allemaal vooral blij zijn, dat er nog iets overblijft waar we met z’n allen ooit trots op waren. We hebben tenminste wisselgeld voor het Nederlands en hebben alle tijd om een eigen woordenlijst samen te stellen.

Guillaume Pool

Terug naar columns G. Pool

 

 

 
  TALENT IS TE VORMEN!! Copyright ©, 2006 www.bukutori.org